UPDATE: Kursaal Oostende sluit tot en met 8 juni de deuren n.a.v. COVID-19. Meer info

U bent hier

Kursaal Kunst

Ontdek de vele verborgen kunstschatten in het gebouw van grootmeesters als Paul Delvaux, Pierre Caille en Tytgat. 

Pierre Caille (1912-1996)

Deze veelzijdige Belgische kunstenaar heeft een rijk en gevarieerd oeuvre als keramieker, doch hij was ook actief als kunstschilder, beeldhouwer en tekenaar. Zijn gepolychromeerde houten sculpturen hebben trouwens een internationale roem verworven. Hij heeft een pioniersrol vervuld in de ontwikkeling van het keramische beeldhouwwerk in België. Ook als leraar was hij zeer creatief. Zijn wereld is verrijkt met vreemdsoortige figuren en insecten, angstaanjagend of komisch, fascinerend door vorm en inhoud. Droomstructuren, droomsculpturen, vol fantasie met een grote uitstraling en expressie.

Hij verbleef en werkte onder meer samen met Charles Leplae, Georges Grard en Paul Delvaux en had tentoonstellingen op internationaal niveau in Parijs, Rotterdam, New York, Belgisch Congo, Zuid-Afrika, Washington, Munchen, Belgrado, enz.

In 1953 ontwierp hij twee grote keramiekfiguren op sokkel voor de grote erehal van het nieuwe Kursaal, die exotische (Zuid-Amerikaanse?) vrouwenfiguren met gekruiste armen voorstellen. Hun kledij bestaat uit vierkante keramiekpaneeltjes met uiteenlopende siermotieven in diverse tinten bruin en wit. De hoofden zijn gestileerd en in bruine kleur. Kenmerkend voor deze beelden zijn de merkwaardige schematisering en de speelse kleurstelling.

Daarnaast ontwierp hij eveneens voor het Kursaal een aantal decoratieve panelen waarin hij zijn eigen ontwikkelde inlegwerktechniek (een procedé om door middel van platen in gres een soort inlegmozaïek te kunnen aanbrengen in architectuur) voor het eerst op grote schaal kon toepassen. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we terug boven de westelijke ingang naar de erehal. Het gaat om een keramische fries met een sienakleurige achtergrond waarop bleke repeterende motiefjes zoals wolkjes, golfjes, visjes, enz. werden geordend. Het was alsof ze er waren ingedrukt met een reusachtige rolstempel.

Bovenaan de trap naar de erehal treffen we een keramisch windscherm aan. Op een bleke achtergrond werden allerhande marinemotieven aangebracht waarin de mytohologie en de fantasie van de kunstenaar met elkaar vermengd worden.

Paul Delvaux (1897-1994)

Paul Delvaux werd geboren in Antheit, provincie Luik. De artistieke parel van het Kursaal is zonder twijfel zijn fresco. Delvaux was in die tijd gefascineerd door zeemeerminnen. Hij werd vaak ondergebracht in het surrealisme, maar vond die interpretatie zelf te eng. In 1952 kreeg Delvaux de vraag van architect Stynen om een fresco te ontwerpen. Voor de realisatie van de figuren maakten Delvaux en zijn collega’s gebruik van gedetailleerde voortekeningen en ontwerpen waarvan er vele bewaard zijn in het Delvauxmuseum in St. Idesbald. De figuren zijn telkens vrij scherp afgelijnd ten opzichte van de overwegend blauwe achtergrond. Het schilderij is aangebracht op een bepleisterde drager van gemiddeld 40mm dikte die bestaat uit een wit-grijze raaplaag van ongeveer 36mm en uit een gladde witte eindlaag. De raaplaag is samengesteld uit zand en kalk, mogelijk met toevoeging van een beetje gips. De witlaag is een mengsel van kalk en gips. De zwarte voortekening werd rechtstreeks op de gladde witlaag aangebracht in de vorm van een lijntekening. Vervolgens werd er waarschijnlijk in diverse stadia een onderschildering aangebracht op basis van een matte verfmassa. Deze verflaag had een verruwend effect op de schilderij. Hierop werden de eindlagen aangebracht.

Naar verluidt gebruikte Delvaux een 2.000 tal eieren voor deze fresco. Eieren werden gebruikt als bindmiddel waarin de kleurpigmenten opgelost werden.

Georges Grard (1901-1984)

Na zijn studies in zijn geboortestad Doornik, maar verliefd op het licht trok hij in 1931 naar zee, St. Idesbald, waar hij in een typisch vissershuisje zijn belangrijkste werken creëerde. Zijn vriend en collega Pierre Caille poseerde er diverse keren met hem. Ook kwamen illustere tijdgenoten zoals Haesaert, Tytgat en Delvaux hem regelmatig bezoeken. Hij bleef zijn hele leven trouw aan één thema: het vrouwelijk naakt.

De grote liggende vrouwenfiguur die Grard maakte voor het Kursaal kreeg de naam ‘De Zee’, maar is in de Oostendse volksmond beter bekend als ‘Dikke Mathille’. De verwijzing naar de zee wordt tot stand gebracht  door de stilering van het kapsel waarmee hij de golfslag van de zee suggereert. Grard heeft bewust op de plaats van het beeldhouwwerk ingespeeld door er een sculptuur van te maken die het best tot uiting komt als men het van onderuit of op gelijke hoogte bekijkt. Ondanks al deze kwaliteiten vond men het beeld in die positie toch te aanstootgevend en heeft men het in 1963 van zijn verheven positie op de sokken aan de kant van de zeedijk (Oosthelling) verwijderd en verplaatst naar het plantsoen met fontein op de Leopold II laan. De lege sokkel aan het casino wacht nog steeds op haar terugkeer.

 

Olivier Strebelle (1927-2017)

De meeste werken van Olivier Strebelle zijn geïnspireerd op levende organismen. Het basiselement is het onzichtbare. Deze organismen, vergroot, geven het werk van Strebelle een eigenzinnige en persoonlijke structuur van dingen die men kent, doch niet zichtbaar ziet. Tussen 1943 en 1947 was hij leerling aan la Cambre in Brussel, waar beeldhouwwerk en keramiek zijn voornaamste vakken waren. Ook hier heeft Leon Stynen, architect en directeur van La Cambre, de opdracht gegeven om twee monumentale (200x140x60 cm) keramieken te ontwerpen voor het Oostendse Kursaal: ‘triton’ en ‘zeemeermin’.

Heel wat prijzen vielen hem te beurt: in 1956 de grote prijs van Rome voor beeldende kunst, de gouden, zilveren en gouden medaille voor het boek Olivier Strebelle, Journal d’un sculpteur, world’s most beautiful book op de internationale beurs van Leipzig. In 1987 werd hij lid van de Académie Royale de Belgique. Hij stelde o.m. tentoon in het Museum voor Decoratieve Kunst in Oslo, op de triënnale van Milaan en de biënnales van Sao Paulo en Venetië, en in het Middelheim in Antwerpen. Hij creëerde talrijke monumentale werken o.a. voor de Casino’s van Oostende, Blankenberge en Namen, de wereldtentoonstellingen van Brussel en Montreal, Shell Company, de universiteiten van Jeruzalem, Harrisburg, Atlanta en Singapore, het Gemeentekrediet van België, het Europees Parlement te Brussel, de luchthaven van Zaventem, enz. Ook in het Museum voor Schone Kunsten in Brussel, in Middelheim Antwerpen in het museum van Padua, Italië bevindt er zich werk van deze meester.

Edgard Tytgat (1879-1957)

Hij werd geboren in Brussel en bracht zijn jeugd tot 1988 door in Brugge waar hij inspiratie opdeed voor zijn verdere loopbaan. Zijn vader, een lithograaf, beïnvloedde uiteraard zijn oeuvre. Toen WOI uitbrak, verliet hij België en verbleef in Londen waar hij Permeke, Van de Woestyne en Daeye ontmoette. Met zijn oorlogscollega’s organiseerde hij in Londen een feest voor de soldaten. Het waren ook zijn eerste jaren van zijn houtsnijkunst. Terug in Brussel in 1923 vestigde hij zich definitief in St. Lambrechts-Woluwe en sloot zich aan bij de Vlaamse expressionistische school van Permeke en De Smet. De inspiratie voor zijn werken vindt hij meestal in de folklore en in het volksleven.

Hij ontwerpt ook wandtapijten, zoals het monumentaal (5x5 m) wandtapijt van het Kursaal. Je ziet aan het schilderij dat het eigenlijk een ontwerp is voor een wandtapijt aan de letters die in spiegelbeeld staan.Voor het wandtapijt in het Kursaal zocht hij inspiratie in de Griekse mythologie. Het ontwerp stelt de inscheping van Iphigenia voor. Het is een van Tytgats laatste grote realisaties. In 1955, twee jaar voor zijn dood, organiseerde het Kursaal nog een retrospectieve tentoonstelling van zijn werk. Het schilderij hing de laatste 20 jaar in het Thermae Palace doch is sinds november 2018 terug in het Kursaal en in 2019 werd het volledig en grondig gerestaureerd.

Oscar Jespers (1887 - 1970)

Geboren in Antwerpen en de zoon van beeldhouwer Emiel Jespers en broer van Floris Jespers. Hij ontving zijn eerste opleiding van zijn vader en studeerde later aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten in Antwerpen. In de jaren 1914-1918 ijvert hij met dichter Paul van Ostaijen en kunstschilders Floris Jespers en Paul Joosten voor de vernieuwing van de kunstvorm. Hij werd lid van diverse kunstverenigingen en reisde door Frankrijk, Nederland, Italië, Duitsland en de V.S. Hij was professor aan de Nationale Hogere School voor Bouw- en Sierkunsten in Brussel en buitengewoon hoogleraar aan de Jan van Eyck Academie in Maastricht. In 1961 was hij docent aan the School of the Museum of Fine Arts in Boston. In 1952 maakte hij het grote monumentale bronzen werk dat op de luifel prijkt aan de ingang van het Kursaal. De ‘vier elementen’ tonen vier fraaie, gestroomlijnde personages, harmonieus verenigd, symbolen voor water, vuur, aarde en lucht. De afmetingen zijn in verhouding tot het gebouw: 560 x 410 x 180 cm. Hij wordt beschouwd als een van de pioniers van de monumentale beeldhouwkunst.

 

Marc Mendelson (1915 - 2013)

De kunstenaar was een generatie- en geestesgenoot van Gaston Bertrand, Anne Bonnet en Louis Van Lint. In 1945 stichtte hij mee de Jonge Belgische Schilderkunst en vanaf 1951 gaf hij les in de afdeling zeefdruk van La Camber. In 1952 was hij ook betrokken bij de oprichting van de Brusselse groep Espace. In België introduceerde hij de techniek van wandversieringen die tot stand kwamen met industriële middelen op basis van synthetische verfstoffen, aangebracht met een verfpistool. Wellicht is de fries die hij in 1953 in het auditorium van Kursaal realiseerde de eerste grote schildering in ons land die op deze manier tot stand kwam. De fries in Oostende heeft een heel merkwaardige relatie met het algemene concept van de site. In feite creëerde de kunstenaar, parallel met de doorkijk naar zee, een in drie kleurnuances verdeelde geschilderde zone die als het ware de golfbeweging op abstracte wijze herneemt zodat dit vanuit de erehal simultaan zichtbaar is. De grote ‘strandschermen’, die op harmonieuze wijze de rug van het zaalbalkon vormen, geven ook vanuit de rondgang, samen met de door Stynen in dezelfde richting aangebrachte plafondnerven die het eind van de balkonschelp vormen, een merkwaardige interactie met de architectuur. Uitvoeringsfoto’s tonen aan dat de schildering inderdaad met een spuitpistool werd aangebracht. Onderzoek bracht aan het licht dat het patroon eerst op de wand werd aangebracht met zogenaamde sponsbladen.

 

Julien Van Vlasselaer (1907 - 1982)

Julien Van Vlasselaer studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten en de Hogere School voor Sierkunsten in Brussel. Na deelname aan persoonlijke en gezamenlijke tentoonstellingen als kunstschilder, oriënteerde hij zich rond de jaren ’30 definitief naar monumentale kunst. In deze nieuwe richting nam hij deel aan verschillende nationale en internationale tentoonstellingen en bekwam hij op korte tijd een groot aantal onderscheidingen. Hij voerde belangrijke werken uit voor openbare en privé gebouwen, cinema’s, scholen, schepen, restaurants, kantoorgebouwen, kerkenen abdijen. Om deze werken te verwezenlijken deed hij een beroep op allerlei disciplines: brandglasramen, gegraveerd glas, mozaïek, fresco’s, keramiek, en murale schilderijen. Na WOII beperkte zijn activiteit zich uitsluitend tot het vervaardigen van kartons voor wandtapijten zonder evenwel zijn bouwkunstontwerpen te verwaarlozen. Zijn kartonontwerp voor een monumentaal wandtapijt (5x8,5m) in het Kursaal bevindt zich in de erehal. Zoals bij een kaartenfiguur stelt het wandtapijt de twee aspecten van de zee voor: links het stormachtige deel dat de vissersvrouw wakker houdt, rechts de zonnige kant van het stranddecor. In het midden doemt tussen de golven een boot op, van waaruit het anker van de hoop wordt uitgeworpen.