Kursaal Oostende  










Kursaal Oostende   Historiek   Fotogalerij   Jobs   Wegbeschrijving   Wie is wie?   Links  

Info - Historiek

Sinds het midden van de 19de eeuw is het Kursaal Oostende prominent aanwezig in het toeristische en sociale leven van Oostende. De activiteiten die er doorgingen, hebben in sterke mate bijgedragen tot de aantrekkingskracht van de badstad. In het Casino-Kursaal gaan gokken en amusement heel nauw samen. Al sinds de opstart keek de directie al veel verder dan de stadsgrenzen. Zo stond het vermaak van toeristen snel centraal.

1837 – Een casino boven het stadhuis

Vanaf de jaren 1830 ontwikkelde Oostende zich van een visserstadje tot één van de indrukwekkendste internationale kuuroorden en toeristische trekpleisters in Europa. Deze reputatie was te danken aan de regelmatige bezoeken van koning Leopold I en aan de cultus van het zeebaden. Ook de goede bereikbaarheid via de spoorwegen en de postdienst zorgden ervoor dat Oostende een begeerde plek werd voor diegenen die het zich konden veroorloven om hun vakantie aan de kust door te brengen.

Naast het baden hadden de bezoekers ook nood aan vertier. Hiervoor besliste het stadsbestuur in 1837 een viertal zalen van het stadhuis aan het Wapenplein als casino in te richten. De veranderingswerken gebeurden door architect Tilman François Suys. Hij zorgde voor een pure en harmonieuze, maar eenvoudige inrichting.

Het casino boven het stadhuis dat bedoeld was als ontspanningsruimte en zelfs niet over een speelzaal beschikte, was een schot in de roos. Op de affiches prijkten tal van gerenommeerde artiesten.

1852 – Het houten Kursaal

Toen Oostende steeds meer toeristen ontving, ontstond de behoefte aan een groot kursaal, zo genoemd in navolging van de Duitse kuuroorden. Het gebouw werd gerealiseerd in 1852, op de zeedijk ter hoogte van Christinastraat. Het initiatief kwam van de kolenhandelaar en concessiehouder van het casino op het Wapenplein, Louis Vanden Abeele. De jonge ontwerper Hendrik Beyaert stond in voor de uitvoering van het prestigieuze ontwerp.

Het Kursaal werd ontworpen als een tijdelijke en gemakkelijk afbreekbare constructie omdat Oostende toen nog een vestingstad was en de zeedijk tot het militair domein behoorde. Het gebouw was hoofdzakelijk in hout opgetrokken. Centraal stond de rijk gestoffeerde concert- en balzaal die met veelkleurige mozaïeken was versierd. Aan weerszijden van een vooruitspringend overdekt terras stonden zeshoekige kiosken voor openluchtconcerten overdag. Ondanks het feit dat dit Kursaal maar 25 jaar standhield, heeft het wel heel wat opzien gebaard.

Het Kursaal was bereikbaar via een brug over de vestinggrachten. Aan de buitenzijde had de constructie een drieledige opbouw met een hoofdgevel gericht naar de zee. Het hogere middenvolume werd beklemtoond door de gevelbekroning met uurwerk en door een met zuilen ondersteund balkon. Boven de zijbeuken werden ruime terrassen aangelegd om optimaal in te spelen op de panoramische mogelijkheden van de site. Zowel het interieur als het exterieur getuigden van een sterk Moors karakter.

In de beginperiode stonden de grootste artiesten nog steeds in het casino dat zich in het stadhuis bevond. Er ontstond wel een wisselwerking tussen het casino en het Kursaal. Bijna elk optreden in het casino werd ondersteund door het orkest van het Kursaal dat in 1865 voor het eerst werd samengesteld.

Hoewel het Kursaal voor die tijd een behoorlijk stuk grond innam, bleek het al snel te klein. Na een eerste uitbreiding in 1858 werd het in 1865 vergroot met onder meer een feest- en concertzaal van 18,8m breed en 44m lang. Het ijzeren gebinte van de zaal werd afgedekt met een glazenzadeldak. Ook die uitbreiding volstond niet want in 1877 werd het houten gebouw volledig ontmanteld, ingepakt en verscheept naar het Franse Rosendaël waar het nog vijftig jaar als kursaal dienst deed.

1878 – Een nieuw gebouw, een nieuwe ligging

Voor zijn nieuw Kursaal Oostende wenste het stadsbestuur een grootser en representatiever gebouw in steen. Burgemeester Van Iseghem was de bezieler van dit grootschalige project. Bij de jarenlange onderhandelingen vormde vooral de ligging een discussiepunt. De Belgische Staat en zeker koning Leopold II lieten zich hierin niet onbetuigd. Tegen de wil van heel wat planologen werd de ligging verschoven naar het westelijk uiteinde van de dijk, de plaats waar het Kursaal Oostende zich vandaag nog steeds bevindt. Het is een ontwerp van de architecten Felix Laureys en Joseph-Jean Naert.

Deze nieuwe positie had enkele voordelen. De aanpalende gronden, die in het bezit waren van de overheid, stegen sterk in waarde. De gerealiseerde meerwaarde werd in de haven van Antwerpen geïnvesteerd. Ook de vooruitgeschoven positie verstoorde de kijkbebouwing niet en bood ze bijkomende panoramische mogelijkheden waarop de architecten optimaal inspeelden. Door de westelijke stadsuitbreiding kreeg het Kursaal Oostende ook een centrale functie aan landzijde die werd beklemtoond door de majestueuze Koninginnelaan-verbinding met het Leopoldpark.

1907 – Nog groter en grootser

Vanaf het einde van de 19de eeuw werden gedurende acht winters ingrijpende renovatiewerken uitgevoerd. Deze waren nodig om het Kursaal Oostende nog meer allure te geven. Hiervoor heeft het stadsbestuur de diensten van Alban Chambon aangesproken, een Franse interieur-architect, ornamentbeeldhouwer en architect.

De hoge verwachtingen werden zeker ingelost bij de vernieuwing van Kursaal Oostende. Chambon kon dankzij zijn groot enscenerend vermogen het gebouw omtoveren tot één van de meest feeërieke, sprookjesachtige interieurs van Europa. Er werd veelvuldig gebruik gemaakt van luxueuze materialen zoals marmer, eik, graniet, mozaïek en gevlamd glazuurgres.

Tijdens het interbellum onderging het profiel van de bad- en kursaalbezoeker trouwens een grondige wijziging. Oostende en het Kursaal Oostende moesten het in de eerste plaats niet meer hebben van de beau monde. Dankzij de verbeterde transportmogelijkheden (wegen en spoorwegen) trokken zij naar mondaine badplaatsen aan de Middellandse Zee of naar kuuroorden in de Alpen. Door de invoering van het betaald verlof voor de lagere sociale klassen en de goedkopere verbindingen naar Oostende, werd de badstad steeds meer bezocht door vakantiegangers uit de middenstand en de arbeidersklasse die minder elitaire behoeften en interesses hadden.

1940 – De afbraak

Het Kursaal was dan wel als parel van de belle époque erg geliefd zijn bij de Oostendenaren en de toeristen, toch primeerden tijdens de oorlog de Duitse militaire belangen. In 1940 werd het Kursaal op bevel van de bezetter met de grond gelijkgemaakt. In de plaats bouwden de Duitsers in 1943 een bunkercomplex dat hen een strategische belangrijke kijk op de zee gaf. Het was trouwens niet het enige belangrijk publiek bouwwerk dat met de grond gelijk werd gemaakt. Zo werden ook het stadhuis, de renbaan en het hoofdpostkantoor vernield.

1953 – Een modernistisch Kursaal

De afbraak van het Kursaal Oostende betekende een grote historische, architectonische, toeristische en bovenal emotionele aderlating. Een nieuw Kursaal Oostende was een absolute voorwaarde indien Oostende zijn imago van Koningin der badsteden wilde behouden en versterken.

Zo werd gekozen voor de Antwerpenaar Leon Stynen als architect. Hij is één van de belangrijkste vertegenwoordigers van het modernisme in ons land. Hij was een gezaghebbende persoonlijkheid, niet alleen door de kwaliteit van zijn oeuvre, maar ook door zijn rol in het onderwijs en bij de organisatie van het beroep.

Het winnende ontwerp van Stynen viel op door de grote gebogen glazen gevels aan de zeezijde. Dit ontwerp was een rechthoekig volume met een halfronde uitbouw die de bocht van de zeedijk volgt. Behalve de locatie heeft het nieuwe Kursaal Oostende weinig tot niets gemeen met zijn voorgangers. Het in 1953 gerealiseerde Kursaal Oostende besloeg een oppervlakte van één hectare en was daarmee veel groter dan het vorige.

Er werden enkele opmerkelijke materialen en technieken gebruikt. Één ervan is bijvoorbeeld de manier waarop Stynen een relatie tussen het gebouw en de zee tot stand bracht. Zowel rechtstreeks vanuit de concertzaal als onrechtstreeks vanuit de erehal en de balzaal konden de bezoekers genieten van het zeezicht. Aan de dijkzijde was de concertzaal omsloten door bewegende, verticale houden schermen die na het concert geopend konden worden om de toeschouwers een vrij uitzicht te geven op de zee.

Ook de constructie van het Kursaal Oostende was toonaangevend. De opbouw bestond uit een skelet van gewapend beton. De meeste binnen- en buitenmuren vervulden geen dragende functie en dat was toen erg vooruitstrevend. Vernieuwend aan de betonstructuur was dat Stynen ze in diverse afzonderlijke cassettes had opgedeeld waardoor elk stuk apart kon worden opgebouwd. Dat bleek een goede zet te zijn want net na de oorlog heerste er een schaarste aan bouwmaterialen, waardoor de aannemers hun materialen niet altijd op tijd geleverd kregen.

Kursaal Oostende was één van de eerste grote projecten waarin gebruik werd gemaakt van aluminiumramen. Ook de enorme afmetingen van de raampartijen waren revolutionair. Een bouwwerk met vier grote ramen van ongeveer 70 m lang en 11 m hoog zag men toen zelden of nooit.

Tussen het oorspronkelijke ontwerp van 1945 en de ingebruikname in 1953 gaapt een vrij lange periode waarin het ontwerp tot grote ergernis van Stynen meermaals moest worden aangepast. Hierdoor verloor het ontwerp een deel van zijn oorspronkelijke kracht. Meteen na de toekenning van de opdracht werd Stynen gevraagd om de gevels te wijzigen en om een toren toe te voegen. Die toren werd om financiële reden dan ook terug geschrapt. Ook was deze 125 m hoge toren onaanvaardbaar voor de Regie der Luchtwegen. Alsook de locatie van de horecazaak met aanpalende terrassen vond geen genade bij het Oostendse stadsbestuur dat onder druk werd gezet door de plaatselijke horeca-uitbaters.

Niet alleen de modernistische architectuur gaf Kursaal Oostende een onschatbare cultuurhistorische waarde, de knappe wandschilderingen en beelden zorgden voor een hoogstaande artistieke invulling. Van bij het ontwerp omringde Stynen zich met een aantal toonaangevende kunstenaars die dankzij hun geïntegreerde kunstwerken Kursaal Oostende een belangrijke meerwaarde verleenden, met de wandschildering van Paul Delvaux als absolute uitschieter. Behalve deze permanente collectie werden in de loop van de jaren ook heel wat grootschalige en drukbezochte tentoonstellingen georganiseerd.

Doordrongen van de cultuurhistorische waarde van het gebouw gingen enkele actiegroepen aankloppen bij toenmalig cultuurminister Luc Martens om Kursaal Oostende te laten klasseren als beschermd monument. Dit verzoek viel niet in dovemansoren want in 1998 volgde de erkenning. Deze beslissing bepaalde de verdere toekomst van Kursaal Oostende: restauratie werd de enige mogelijkheid. Ze opende tevens de deur naar overheidssubsidies, de afdeling Monumenten en Landschappen van de Vlaamse Gemeenschap zou toezien op de uitvoering van de oorspronkelijke ideeën van Stynen.

Nu de toekomst van Kursaal Oostende min of meer duidelijk was geworden, bleef nog één vraag over: wie zou dit betalen? De restauratie moest rendabel zijn. Om dit objectief te bereiken moest Kursaal Oostende voldoende volk lokken en dat vereiste een volledig andere aanpak dan de manier waarop Kursaal Oostende voorheen geëxploiteerd werd.

Om het project in goede banen te leiden creëerde het stadsbestuur het Autonoom Gemeentebedrijf Stadsvernieuwing Oostende (AGSO), dat in nauw overleg de zaken op de voet zou opvolgen, maar dat ook voldoende autonomie kreeg om slagvaardig op te treden. De naam van de organisatie wijst erop dat de ambities verder reiken dan de restauratie van Kursaal Oostende.

Één van de heikele punten bij de transformatie van Kursaal Oostende was het spanningsveld tussen het casino (het gokgebeuren) en Kursaal Oostende (socio-culturele activiteiten), twee totaal verschillende werelden met elk hun eigen doelpubliek en hun eigen wetten en gewoonten. Zelfs fysisch zijn beide activiteiten van elkaar gescheiden. Er is namelijk een wet die de uitbaters verplicht een muur op te trekken tussen de speelzaal en de publieke ruimten. Voor die tweespalt had men in het verleden te weinig oog gehad. Er werd steeds één concessionaris aangesteld die zowel verantwoordelijk was voor het casino als voor Kursaal Oostende. Vermits de meeste winsten te halen zijn uit de speelzaal, lag het voor de hand dat er veel meer aandacht ging naar en ook veel meer geïnvesteerd werd in het casino. Daarom besliste het stadsbestuur om de exploitatie voortaan op te splitsen: één concessionaris voor de speelzaal, één voor het restaurant- en cafégebeuren. De exploitatie van Kursaal Oostende wordt overgedragen aan Exploitatie Kursaal Oostende (EKO).

2004 – Een nieuwe start

Iets meer dan vijftig jaar na de ingebruikname van Kursaal Oostende van Leon Stynen beschikt Oostende opnieuw over een toeristische trekpleister om trots op te zijn. Het architectenbureau Storme Van Ranst is erin geslaagd om de architecturale kwaliteiten van Stynens ontwerp te verzoenen met maximale exploitatiemogelijkheden. Enerzijds wordt teruggegrepen naar de basisideeën van Stynen die door een aantal ongelukkige ingrepen verloren waren gegaan. Anderzijds is het vernieuwde Kursaal Oostende een gebouw met een duidelijke toekomstvisie. De verhoogde capaciteit van het auditorium, het laagdrempelige karakter, het optimale gebruik van de andere ruimten, de vooruitstrevende technische installaties en de integratie van diverse restaurant- en cafévoorzieningen zorgen ervoor dat Kursaal Oostende opnieuw als decor kan fungeren van diverse grootschalige evenementen, congressen en tentoonstellingen.

De restauratie van Kursaal Oostende was allesbehalve evident en vereiste een aantal ingrijpende aanpassingen. Kursaal Oostende vormt een belangrijk scharnierpunt tussen de stad en de zee. Het bestaande gebouw liet deze bevoorrechte positie niet meer tot haar recht komen. Fysiek en psychologisch zag noch ervaarde de passant wat er in Kursaal Oostende leefde. Omgekeerd werd de bezoeker grotendeels afgesloten van de zee en het strand. Kursaal Oostende trok geen bezoekers meer en moest opnieuw leven en amusement uitstralen. Daarom was het herstel van de relatie tussen binnen en buiten, van het visuele contact tussen Kursaal Oostende en de zee één van de belangrijkste uitgangspunten van het restauratieontwerp.

De agressiviteit van het zeeklimaat, het gebrekkige onderhoud en de leegstand van diverse ruimten waren nefast voor de bouwfysische staat van Kursaal Oostende. Vooral de gevel verkeerde in een zeer slechte toestand, maar ook in het interieur waren diverse elementen dringend aan vernieuwing of restauratie toe.

In 1998 werd Kursaal Oostende erkend als geklasseerd monument. Deze beslissing zorgde voor belangrijke subsidies. De ambtenaren waakten hierdoor ook nauwgezet over het behoud van de cultuurhistorische waarde van het gebouw. Het was niet altijd makkelijk om hun eisen in overeenstemming te brengen met het beschikbare budget en met de noden van een modern evenementencomplex. Zoals gebruikelijk bij dergelijke restauraties hebben de architecten ervoor gekozen om de elementen die behouden konden blijven zo trouw mogelijk te restaureren. Waar restauratie niet mogelijk was of waar elementen werden toegevoegd, hanteerden ze een hedendaagse vormgeving, juist om aan te geven dat het om een nieuw of toegevoegd element ging.